Blogarchief

Posts tonen met het label Dokter. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dokter. Alle posts tonen

dinsdag 25 maart 2014

Ziekenhuispraat

Ziekenhuispraat


De versgebakken Cardioloog kijkt mijn moeder - die net zo wit is als de lakens van het ziekenhuisbed - ernstig aan. Bedachtzaam strijkt hij zijn hand door zijn donkere haardos en kijkt erbij alsof de camera's elk moment kunnen gaan lopen ...... 'En actie!'

'Heel vervelend voor u mevrouwtje,  het gebeurt niet zo vaak, maar er heeft zich een vervelende complicatie voorgedaan. Er is een hematoom ontstaan' zegt hij, met een blik die hij overduidelijk van George Clooney heeft afgekeken. Mijn moeder verschiet -voor zover mogelijk- nog meer van kleur.
Na haar status nog even aan een diep en grondig onderzoek onderworpen te hebben, fronst hij zuchtend zijn wenkbrauwen.
'Hmmm ...' hij steekt de kaart weer in het daarvoor bestemde rekje, knikt nog even en maakt zich daarna snel uit de voeten ...... 'En cut!'

'Een hema... wat?!' mijn moeder kijkt me geschrokken aan.
'Een bloeduitstorting ma,' stel ik haar gerust.
'O... waarom zegt hij dat dan niet gewoon? '
'Tja ...'

Gelukkig neemt een oudere, geroutineerde broeder het van hem over.
Deze vriendelijk ogende broeder is dan ook een verademing na alle doktoren die meer bezig zijn met vaktermen dan het geruststellen van de patiënt.

Ziekenhuisbroeders verstaan hun vak. Met hun vaak jarenlange ervaring stralen ze vertrouwen uit en weten ze eerder wat er aan scheelt dan menig arts. Bovendien zijn ze een stuk beter te volgen ... tenminste.... 

'We gaan nog even wat bl, bl, bl, bloe,' bij elke lettergreep perst hij zijn ogen tot spleetjes alsof hij hiermee zijn woorden kracht bij wil zetten.
'Bl, bl, bloe, bloe,' probeert hij nogmaals. Langzaam maar zeker lijkt de dieselmotor op gang te komen.
De expressie op zijn gezicht neemt extreme vormen aan en zijn bril zakt tot aan de puntje van zijn neus.
'bloe, bloe, bloe ...'
Mijn moeder - nog van de generatie die weet hoe onbeleefd het is om mensen niet aan te kijken als er tegen je wordt gesproken- blijft hem strak aankijken ... en daarbij, ze kan geen kant op.

Na een flinke hap lucht sputtert hij verder ... 'bloe, bloe, bloe...'
Ik krijg het benauwd als ik denk aan het flinke aantal buisjes bloed er in die tussentijd al afgenomen had kunnen worden. De opgebouwde spanning van de laatste uren begint zich bij mij om te zetten in een onbedaarlijk slappe lachbui, ik voel de uitbarsting naderen. Dapper probeer ik hem weg te slikken en mompel dat ik even een kop koffie ga halen.
'Bl, bl, bl, bloe, bloe, bloed afnemen!' roept de broeder uiteindelijk, terwijl ik met een rode kop de gang op vlucht.

Ondanks zijn gesputter is zijn zorgzaamheid aandoenlijk. Ik ben hem dan ook meer dan dankbaar dat zijn gestotter hem niet heeft weerhouden om voor dit vak te kiezen. 

Ervaren, lief en zorgzaam ...  ach, dat zijn ze eigenlijk allemaal op CCU, "Coronary Care Unit"
ofwel ... de hartbewaking.
'O... waarom zeg ik dat dan niet gewoon? '

Tja, je krijgt er toch altijd nog wel iets van mee.

© Ingrid Punt maart 2014




maandag 25 maart 2013

Castratie



Castratie

De oude dierenarts van Loen
wist echt niet meer wat hij moest doen,
want zijn praktijk liep uiterst slecht,
hij zat al maanden zonder poen.

Van Loen wou héél snel incasseren
‘uw hond is vreselijk agressief’
ik raad u aan hem te castreren...
oom Geert nam dat advies voor lief.

Maar tante Door, echt die bevroor,
wilde hun hond niet zo bezeren,
want voor een reu is het knap sneu
als hij de liefde moet ontberen.

Zij was dus niet gemotiveerd,
zag die castratie heel niet zitten,
het leek haar echt totaal verkeerd,
liep driftig op oom Geert te vitten.

Die zette door en Tante Door,
ze huilde door... tranen met tuiten,
vond het zo zielig voor hun reu
die naar zijn mannelijkeid kon fluiten.

Hun hond was niet meer agressief,
zelfs teckels konden hem belagen.
en ook totaal niet assertief
liet zich door alle honden plagen.

Maar stiekem zinde hij op wraak
-hoe kon zijn baas hem zo mismaken-
hapte oom Geert vol in zijn kruis
en liet zijn zaakje hem goed smaken.

Nu de moraal van dit verhaal...
-Het interesseert van Loen geen biet-
“Wat gij niet wilt dat u geschiedt
doe dat dus ook een ander niet.”


© Ingrid Punt maart 2013


zondag 10 maart 2013

Vmbo-trui




Vmbo-trui


‘Meld jij je vast aan bij de balie? dan zoek ik een plaatsje.’
Na het vinden van drie vrije stoelen –één voor haar, één voor haar eega, en één voor de bagage- trekt de vrouw haar jas uit, vouwt deze binnenstebuiten en legt deze zorgvuldig op de stoel naast zich. Haar slungelige wederhelft  knijpt zijn ogen achter zijn dikke montuur tot spleetjes en loopt naar de Balie waar een bordje met vetgedrukte letters -oogheelkunde – aangeeft.

‘Pssst… Joost’
‘Ja wat?’ vraagt de slungel geiiriteerd.
‘Dat is oogheelkunde, je staat bij de verkeerde balie.’
Hij gluurt nog even over zijn bril naar het bordje en sjokt dan met zijn lange benen naar de Urologie-balie, waar de rij helaas aanzienlijk langer is.

Na eindelijk zijn verfrommelde verwijsbrief af te hebben gegeven, neemt hij plaats naast zijn vrouw.
‘Ik zou mijn jas maar uittrekken, als je straks buiten komt heb je er niets meer aan’
Joost zucht, maar volgt met enige tegenzin haar raad op.
‘Heb je nu alweer die vmbo-trui aan?’ vraagt ze geschrokken.
Joost vertrekt geen spier en blijft – alsof hij de vraag voelde aankomen- stoïcijns voor zich uitkijken.
‘Op dat feestje had je hem ook al aan.’
‘Nou en?’
‘Het is toch geen gezicht?!’
‘Hij zit gewoon lekker!’
‘Je had toch wel even een net jasje aan kunnen doen?!’
‘ik zou niet weten waarom’
‘Waarom? omdat dit er niet uitziet!’

Joost slaat zijn lange benen over elkaar, haakt zijn linkervoet achter zijn rechterkuit en besluit er verder het zwijgen toe te doen.
‘Heb je nog steeds zo’n pijn?’ verbreekt de vrouw na enige minuten de stilte.
‘Waaraan?’
‘Tja, waarom zitten we hier? ... je plasbuis!’
‘Alleen als ik plas.’
‘Nierstenen!’
‘Hoe weet jij dat nou?’
‘Gewoon logisch nadenken, ik garandeer je dat het nierstenen zijn.’
‘Laat maar dokter, mijn vrouw Magda heeft zojuist de diagnose gesteld, dus wat mij betreft kunnen we wel weer naar huis.’
‘Hé Joost, doe niet zo flauw. ’

Er verschijnt een vlotte vrouwelijke verpleegkundige in de deuropening en Joost kijkt haar verwachtingsvol aan. ‘Mevrouw Weltevree?’ Ze kijkt de wachtkamer rond, maar mevrouw Weltevree blijkt niet aanwezig. 
De verpleegkundige weet wel raad met dit soort incidenten en loopt met een zelfverzekerd gezicht terug naar de balie om even later meneer Swinkels om te roepen. Deze staat - duidelijk niet op zijn gemak- op, en loopt gedwee achter haar aan de spreekkamer  in.
‘Hé, dat kan toch niet kloppen, die man kwam veel  later binnen.’
‘Dat zegt toch niets Magda, wij zijn gewoon veel te vroeg.’

Maar wanneer er na meneer Swinkels, nog een mevrouw Dekker en ook nog een meneer Lodder naar binnen worden geroepen, is uiteindelijk voor Magda de maat vol.
‘Wij hadden toch een afspraak om tien over tien? Het is nu al vijf voor half elf, dat kan toch niet. Wat hebben die afspraken dan voor zin? Ik wacht nog héél even, maar als jij niet de eerstvolgende bent stap ik naar de balie.’

Joost zijn voet –maatje 46- schiet van achter zijn kuit vandaan en begint zenuwachtig te wiebelen.
’Stop daar eens mee,’ zegt Magda na het gewiebel enige tijd met een hoog irritatie-gehalte te hebben gadegeslagen.
‘Ik moet naar het toilet’ zegt Joost benepen.
‘Duidelijk nierstenen, of een blaasontsteking’
'Oh, Magda, alsjeblieft.’
‘Ga dan!’
‘Ja, zal je altijd zien, ben ik nét weg, word ik omgeroepen.’
‘Ga gewoon naar het toilet Joost, het duurt zo te zien nog wel even, ik let wel op.’

Joost staat zuchtend op en sjokt de bordjes "toilet" achterna.
Magda haalt een papieren zakdoekje uit haar tas en spreidt deze in haar met geruite plooirok bedekte schoot. Voor dit soort noodgevallen heeft ze altijd een appeltje en een mesje bij zich. Het appeltje wordt geschilt met een precisie, waardoor een bezoek aan de afdeling Urologie overbodig lijkt. Nierstenen, of een blaasontsteking, ze gaat ze eigenhandig te lijf. Dan komt Joost met een van pijn verhit gezicht aansjokken.

‘Alle Jezus , ik dacht dat ik dood ging, branden… niet normaal.’
‘Blaasontsteking… of nierstenen. Het tocht hier trouwens!’
‘Wat?’
‘Je gulp!’
‘Ik heb pijn Magda en jij maakt je druk om mijn gulp?'
Magda knikt tevreden, ‘Ja, ik denk toch eerder nierstenen. Hier, neem  een stukje appel, want als het zo doorgaat zitten we hier tegen etenstijd nog steeds op een houtje te bijten.’
'Appel, ik moet er even niet aan denken... ik heb pijn Magda!!!'

De vlotte verpleegkundige verschijnt weer in de deuropening, kijkt nog even naar de brief in haar handen en roept dan duidelijk articulerend  ‘me-neer Scheursss’
‘Ja Joost, jij bent aan de beurt’
Joost veert –zijn pijn vergetend- op als een jonge god bij het zien van de leuke verpleegster, maar vergeet dat zijn gulp nog steeds te wensen overlaat. Magda vat de koe bij de horens en ritst hem snel dicht. En passant, propt ze ook nog even snel zijn overhemd onder zijn "vmbo-trui."

‘O Joost, zeg meteen tegen die arts dat je vrouw vermoedt dat het nierstenen zijn!’ roept ze hem luid na. Joost kleurt nu net zo rood als het appeltje dat zijn vrouw net in haar ééntje heeft weggewerkt.

Met zijn slungelige ledematen weet hij zich nu helemaal geen raad meer. ’Zeikwijf!' sist hij meer tegen de deur, dan naar Magda, wanneer hij deze achter zich sluit.

Nierstenen, blaasonsteking of zeikwijf, ze zijn hier aan het juiste adres.

© Ingrid Punt maart 2013

zaterdag 10 maart 2012

Wanneer het leven lastig wordt...



Wanneer het leven lastig wordt … 
de dood begint te knagen, 

je lichaam als een strak korset 
te zwaar om mee te dragen. 

Jouw wereld alsmaar kleiner wordt ... 
het voelt als het gevang, 
je aan je stoel gekluisterd bent 
met uitzicht op ’t behang. 

De pil die men je ’s morgens gaf 
ligt ’s avonds in je hand, 
je kijkt me angstig aan en vraagt 
'waar is toch mijn verstand?' 

Wanneer het leven eenzaam wordt … 
gezichten zijn je vreemd, 
en overal waar je nu bent 
voel je jezelf ontheemd. 

Je kinderen komen elke dag 
om goed voor je te zorgen, 
maar kunnen niet voorkomen dat 
je bang bent voor de morgen. 

Een knop voor dit een knop voor dat, 
je hoeft alleen te drukken, 
maar hoe wanhopig moet je zijn 
als dit niet meer gaat lukken. 

Wanneer het leven lijden wordt … 
en alles ben je kwijt, 
de mensen om je heen zijn lief 
maar hebben weinig tijd. 

Je hoeft niets meer, 
je kan niets meer, 
en alles doet je zeer. 
en jij ... die nooit gelovig was zegt, 
'Onze Lieve Heer...

De weg is lang, de weg is zwaar, 
maar ach het zijn god’s wegen. 
maar als het leven lastig wordt… 
dan is de dood een zegen.'



Copyright © Ingrid Punt Juni 2011

zondag 26 februari 2012

Onkruid deel 8...

Ze kijkt haar tas nog even na -heeft ze alles- portemonnee, mobiel, toilettas... zo te zien zitten al haar spullen er in. De man in het wit loopt met haar naar de deur en haalt de sleutels uit zijn zak. 'Hier is je recept… hou je goed aan de dosis en van de week nog even bloed laten prikken.Weet je zeker dat je het aankan?' vraagt hij bezorgd, ze knikt, waarop hij de deur opent.
 'Pas goed op jezelf,' 'Zal ik doen… mij krijgen ze niet gek' zegt ze gekscherend. 'Nee' zegt hij… 'dat was je toch al.' Waarop ze beiden in de lach schieten, wat zeer bevrijdend werkt merkt ze.

Heerlijk als mensen je behandelen alsof je niet van een andere planeet komt. 'Dank je,' zegt ze terwijl ze hem de hand drukt, 'ik zal jouw goede zorgen en menselijkheid zéker niet vergeten.' 'Jij bent één van de normaalste mensen die ik hier ooit heb meegemaakt Ellen, dus laat je niets anders wijsmaken, en nu wegwezen jij en ik wil je hier nooit meer zien,' zegt hij terwijl hij haar een knipoog geeft en de deur zacht maar resoluut achter haar sluit.

Wanneer ze buiten komt bemerkt ze dat het een stralende dag is. Ze knijpt haar ogen samen om ze te laten wennen aan de overgang van de donkere hal in de kliniek naar het scherpe zonlicht buiten en haalt diep adem… frisse lucht…heerlijk, wat heeft ze dat gemist. Het is nog vrij rustig in de straat waar de instelling is gelegen. Ze kijkt op haar horloge, het is inmiddels al kwart voor twaalf. Hij zou haar om elf uur oppikken. Niet dat ze ontzettend blij is hem weer onder ogen te moeten komen. In de maanden dat ze in de kliniek verkeerde heeft hij haar welgeteld twee keer bezocht. En dan nog wist hij niet hoe snel hij weer weg moest komen.

'Voor je eigen bestwil schatje, je hebt vooral je rust hard nodig.' De manier waarop hij haar tegenwoordig schatje noemt bezorgt haar kippenvel. Nu ze er over nadenkt is dat niet het enige aan hem wat haar tegenwoordig kippenvel bezorgt. Zijn stilzwijgen als ze naar hun dochter vroeg maakte haar razend. Ze draait zich nog even om en kijkt naar het sombere gebouw achter haar. Dit lijkt haar nu niet de ideale plek en tijd om haar gevoelens te analyseren. Ze haalt nog een keer diep adem en wil zo snel mogelijk van deze kille en deprimerende plek weg zien te komen.

Aan de overkant van de straat schuift een serveerster de vrolijk gekleurde parasols omhoog op het nu nog verlaten maar gezellig uitziende terras. Ze snakt naar een echte kop koffie, het zou een welkome afwisseling zijn op het slappe surrogaat dat ze de afgelopen maanden te drinken kreeg. Vijf voor twaalf inmiddels… als ze dan toch moet wachten. Zodra ze de straat oversteekt ziet ze een donkergrijze Audi de straat inrijden. Even is ze verbaast over de flinke snelheid waarmee hij door de rustige straat rijd, hij zal haar toch wel hebben gezien. Tot de persoon achter de donker getinte autoruiten waarschijnlijk een ruk aan het stuur geeft en de Audi in volle snelheid op haar inrijd. Even staat ze als aan de grond genageld tot haar overlevingsdrang een stoot adrenaline door haar lichaam voert en ze op het laatste moment weet weg te springen. Ze struikelt en haar enkel maakt een vreemde draai waardoor ze op de straat beland.

 De Audi mist haar op een haar na, geeft nog eens flink gas en verdwijnt met piepende banden uit het gezichtsveld. Voor dat ze goed en wel beseft dat ze waarschijnlijk aan de dood is ontsnapt staat de serveerster met een wit vertrokken gezicht over haar heen gebogen. 'Gaat het met je?' Vraagt ze met trillende stem. 'Die gek rijd zo door!' zegt ze nu verontwaardigd. 'Ja … ik … denk het wel, alleen m’n enkel.'Ze wrijft met een pijnlijk vertrokken gezicht over de zwelling boven haar voet. De vrouw helpt haar voorzichtig overeind. 'Zo ga hier maar even zitten' zegt ze als ze bij het terras zijn aangekomen, 'leg je voet maar op de stoel, ik ben zo terug.'

Als de serveerster even later haar gezwollen enkel als een volleerd verpleegster staat in te tapen vraagt deze of ze het kenteken heeft kunnen zien. 'Nee, het ging zo snel, -ze verzwijgt het feit dat er helemaal geen kentekenplaat te zien was- 'Je zou toch bijna denken dat hij het speciaal op jou had gemunt, wat een gek,'en ze schud niet begrijpend haar hoofd. 'Zo, die moet je er voor vandaag maar even om laten zitten' zegt ze als ze trots naar de ingezwachtelde enkel kijkt. 'Kan ik iets voor je doen... wil je misschien iets drinken voor de schrik?' 'Nou... graag een kop koffie, dan bel ik maar even een taxi.' Het is al bij half één en ze verwacht niet meer dat ze nog zal worden opgehaald. En eerlijk gezegd is ze daar ook niet echt rouwig om.

Copyright © Ingrid Punt Juni 2011

Deel 9  >>>KLIK<<<

vrijdag 24 februari 2012

Onkruid deel 6...

Haar mond voelt droog terwijl ze haar polsen en enkels uit de riemen probeert te worstelen.
Een roep om hulp probeert aan haar keel te ontsnappen… maar er komt geen enkel geluid. Het zweet staat op haar voorhoofd van inspanning, haar lichaam kronkelt in het klamme bed. Met een laatste krachtinspanning weet ze zich voorover te buigen... De riemen trekken zich strak rond haar polsen, maar verder is er geen beweging in te krijgen en uitgeput laat ze haar verkrampte lichaam weer achterover op het bed vallen Even lijkt ze zich over te geven aan haar gedwongen arrest. Ze sluit moedeloos haar ogen tot ze naast zich een zachte stem hoort… 'mama… wat is er met je?' Ze twijfelt even… heeft ze het goed gehoord… na alles wat ze de afgelopen weken heeft meegemaakt vertrouwd ze haar eigen zintuigen niet meer.

En weer klinkt de verbaasde stem van haar dochtertje…'mama, wat is er met je?' Waneer ze haar ogen opent ziet ze de voor haar zo bekende blonde krullen van haar kind. 'Kim, wat doe jij hier… ga hulp halen.' Maar het meisje kijkt haar alleen maar triest aan en achter haar doemen de gezichten van twee witte gestaltes op. 'Rustig maar Ellen… wij zorgen wel voor je' zegt de ene gestalte, zijn gezicht is haar onbekend maar hij kijkt haar geruststellend aan. Het trieste gezicht van haar dochtertje verdwijnt naar de achtergrond om plaats te maken voor de witte gestaltes. Ze buigen zich over haar heen, pakken haar beet en drukken haar in het klamme matras. 'Kim…. haal alsjeblieft hulp… NU!…' hoort ze zichzelf schreeuwen. Maar Kim verdwijnt in een grijze waas zodra ze de stekende pijn in haar arm voelt.
Uit alle macht probeert ze nog iets van een schreeuw uit haar keel te persen… maar er komt helemaal niets. De geluiden om haar heen verstommen, haar blik wordt troebel en ze zakt weg tot in de diepste kraters van haar ziel.

'Was dit wel echt nodig?' Vraagt de ene witte gestalte aan de andere, 'ze lijkt mij niet gevaarlijk.' 'Je hoorde toch dat ze om haar dochter riep, heb jij iemand gezien?' De man schud zijn hoofd, nee dat niet, 'maar om nu meteen zo rigoureus te handelen.' Na de riemen om haar enkels en polsen te hebben gecheckt lopen ze de kamer uit en zodra ze de deur achter zich hebben afgesloten verschijnt er naast de in diepe slaap verkerende vrouw een klein meisje met blonde krullen.
Ze streelt de vrouw over het hoofd…. en zacht fluistert ze in haar oor… 'mama… wat is er met je?'

Copyright © Ingrid Punt februari 2011

Deel 7  >>>KLIK<<<


donderdag 23 februari 2012

Onkruid deel 5...

Met het voor haar onverklaarbare potje in haar hand geklemd loopt ze naar binnen. Het is druk in de wachtkamer en bij het zien van zoveel wachtende mensen breekt het zweet haar uit. Haar hart slaat weer op hol en wanneer het wazig wordt voor haar ogen weet ze nog net de assistente bij haar mouw te pakken voor de duisternis bezit van haar neemt.

Ergens in de verte hoort ze een stem... 'Ellen, gaat het weer een beetje?' Met veel moeite weet ze haar ogen te openen en kijkt ze in het bezorgde gezicht van haar huisarts. Ze is nog steeds verward, misselijk, haar tong voelt droog en belet haar te spreken. Ik denk dat we de dosis maar aan moeten passen hoort ze de arts zeggen, haar ogen proberen zich te focussen op de persoon waar hij mee zit te praten. Haar man fluistert iets terug en de arts knikt zorgelijk.


Hij schrijft iets op een formulier en geeft het aan haar man die het direct in z’n jaszak frommelt.
'Drie maal daags,' zegt de arts als hij haar een glas water aan reikt.
Ze drinkt het gulzig leeg, maar het smaakt bitter en ze vraagt zichzelf af waarom ze niet normaal kan reageren. Het lijkt wel of de woorden niet willen komen en haar stem haar bevelen niet op wil volgen. Haar man kijkt haar geruststellend aan, en fluistert nog iets tegen de arts. 'Als het zo doorgaat zit er inderdaad niets anders op' hoort ze deze zeggen, maar we kijken het nog even aan.

Als ze even later aan de arm van haar man naar buiten strompelt, schiet de reden van haar doktersbezoek haar weer door het hoofd, en haar hand graait in de zak van haar mantel.
Weg... het bewuste potje is verdwenen... haar man duwt haar met zacht dwingende hand in de passagiersstoel en slaat de deur dicht. Trillend van ellende en onbegrip zit ze even later naast hem, zijn gezicht staat ernstig als hij haar vraagt... 'zo en vertel me nu maar eens wat je van plan was te doen?' Haar stem werkt nog steeds niet mee wanneer ze hem het bewuste potje uit zijn zak ziet halen...

'Dit was toch zeker niet de reden van je bezoek hé?' vraagt hij met een strak gezicht......



Copyright © Ingrid Punt 2011


maandag 6 februari 2012

Voodoo...



Misschien heeft het met de naderende feestdagen te maken want het is ongebruikelijk stil en er hangt een rustige serene sfeer op de afdeling radiologie. Na wat gerommel tussen de damesbladen, trek ik er achteloos één tussenuit. Het blijkt een oude ”Vriendin” en ik neem plaatst naast een oude man die een beetje zit te dommelen. Zijn zachte gesnurk werkt rustgevend en ik geniet van die rust tot hij plots verstoord wordt door de doordringende stem van een oude dame. “Het doet geen pijn hoor, valt reuze mee” ze blijft staan voor een rolstoel waar een vrouw in zit van ongeveer hetzelfde bouwjaar. “Nee hoor.... je voelt er haast niets van, je moet alleen je slip laten zakken want hij moet je in je lies prikken hé... en ik zou mijn das maar om houden want het is daar verrekte koud.”

In de deuropening verschijnt een klein donker ventje half verscholen achter een groot zwaar schort, en een mijnwerkerslamp op zijn voorhoofd. Hij lijkt een beetje op dat kleine zangertje... kom hoe heet hij ook alweer... van Velzen.... dat is ‘m. De van Velzen look-a-like aarzelt even en ik hoop dat hij een swingend nummer ten gehore zal gaan brengen, maar dan vraagt het mannetje olijk... “Wie is het volgende slachtoffer?” De dame in de rolstoel voelt zich geroepen. “Heeft zij U wel verteld dat het verschrikkelijk veel pijn doet?” en hij knikt naar de dame van de das en de slip. Je kan van van Velzen zeggen wat je wil maar hij weet het ijs te breken want beide vrouwen schieten in de lach. Zijn volgende slachtoffer houd voor de zekerheid haar das om, “een gewaarschuwd mens telt voor twee tenslotte.”

Ik blader nog wat in mijn tijdschrift maar al snel komt de rolstoeldame weer naar buiten, waarna van Velzen triomfantelijk met zijn handjes op zijn rug in de deuropening gaat staan. Verlekkerd vraagt hij wie hij nu mag pijnigen. De oude man naast me schrikt wakker en zegt opgelucht dat hij het in elk geval niet kan zijn want hij wacht op zijn vrouw.Van Velzen kijkt mij doordringend aan maar ik duw mijn neus nog iets dieper in mijn “Vriendin” en tot mijn opluchting loopt hij weer weg. Het blijkt een schijnbeweging want even later verschijnt hij weer om mij ditmaal lachend aan te kijken en hard en duidelijk mijn naam te roepen. Ik moet er aan geloven en zuchtend sta ik op en gooi mijn “Vriendin” achter me op de stoel.

” Bent U de slager?” vraag ik hem terwijl ik hem een hand geef... Even is hij van slag, hij is vandaag degene die de grapjes maakt. ”Nee, zegt hij na een korte bedenktijd, “ dat zijn mijn kornuiten in de operatiekamer.” Ik krijg het stille vermoeden dat ik hem maar beter te vriend kan houden. Met op mijn netvlies nog het beeld van de oude dame met das om haar nek en slip op haar enkels loop ik achter hem aan. In de behandelkamer is het inderdaad verrekte koud, ik kom voor mijn schouder dus gelukkig mag ik mijn broek aanhouden. Een man “ook gehuld in een zwaar schort” is druk bezig alle benodigde attributen klaar te leggen. Hallo... ik ben margriet, “ tegenover me staat als vanuit het niets ineens iemand die me in de verste verte niet aan een teer wit bloemetje doet denken. Margriet is groot en flink, schud me daadkrachtig de hand en is van de bediening... van de apparatuur wel te verstaan. Hé... da’s nou jammer, een borrel tegen de zenuwen was er wel ingegaan. Maar ze verdwijnt weer net zo snel als dat ze verscheen. Voor de verdoving ben ik toch écht overgeleverd aan kleinduimpje.

De dwerg blijkt tóch de slager -de smiecht- en nadat hij me op de behandeltafel heeft geholpen en hij op zijn krukje is geklommen draagt hij me op om vooral te ontspannen. Ik doe wat hij zegt, maar volgens mij heb ik een ander beeld van ontspannen dan hij. Na enige aanwijzingen is humptie-dumptie tevreden. Vervolgens smeert hij m’n schouder in met een knalroze goedje... je valt in ieder geval op als je naar de sauna gaat zegt hij. Ik heb een rijke fantasie maar de sauna is wel het laatste waar ik op dit moment aan denk.

Het röntgenapparaat boven mij zwaait op aanwijzingen van de kleine man alle kanten op en het lijkt erop alsof ik naar een verkeersknooppunt -het Prins Clausplein is er niets bij- lig te koekeloeren. Daar komen de prikken roept het kaboutertje plotseling. Ik hoop dat dokter prik er met zijn naalden wijs uit kan worden maar met een beetje gepoer weet hij gelukkig de bewuste plek op de juiste pees te vinden. Er wordt nog wat verdoving en zoutoplossing in de pees gespoten, maar als de naalden elkaar per ongeluk raken spuit het water me om de oren. Dát was niet de bedoeling... hij poert en wurmt nog even verder en als hij eindelijk het gebied te pakken heeft begint hij met zijn naalden als een specht op me in te hakken. Ik voel me net een speldenkussen en mijn wijsvinger danst gezellig mee op het ritme – het blijft een vreemde gewaarwording wanneer je geen controle hebt over je eigen wijsvinger...maar gelukkig is het mijn wijsvinger- Na een tijdje is de voodoodokter dik tevreden en helpt me overeind.

Ik sta nog wat onwennig op de benen en krijg direct een paar flinke pijnstillers toegeschoven. Terwijl ik ze met een glas water achterover sla, hoor ik van Velzen al weer roepen....

“Zo.... en wie wil er nu op de pijnbank?!?!”



© Copyright Ingrid Punt december 2012

 

vrijdag 25 november 2011

Radioluege...

Ik meld me bij de afdeling röntgen en radiologie, en mag achter in de gang plaatsnemen en wachten tot ik word geroepen. Dat gaat snel, de dame die de foto’s moet gaan maken blijkt een kopje kleiner dan ik... dat stemt me ondanks m’n zenuwen sowieso al vrolijk maar ze blijkt ook nog een leuk frans accent te hebben, en ik moet direkt glimlachen als ik denk aan de franse eigenaar van een leuk cadeauwinkeltje die me vorige week nog une kleine tartjé verkocht.
Maar het lachen vergaat me snel wanneer blijkt dat ze in dit ziekenhuis anders te werk gaan met de borstenpletter dan bij het bevolkingsonderzoek.

Ik blijk bij deze petit franse dame zelf aan te moeten geven wanneer genoeg ook écht genoeg is... want anders laat ze de pletter gewoon z’n gang gaan en dat betekend doorgaan met pletten tot ik een ons weeg.
Maar voordat de communicatie tussen ons een feit is en ik tijdens het pijnigen bijna roep “jaaa ik beken... ik ben een heks”, geeft het gezoem van het apparaat al aan dat de foto inmiddels genomen is en ik word vanzelf bevrijd uit het apparaat, deze kastijding herhaalt zich nog zo’n drie keer.
Als vrouw heb je tijdens je leven de nodige ontberingen te doorstaan. Hoezo... het zwakke geslacht?

Dacht ik nu klaar te zijn... echt niet, ik mag verkleumd en half naakt terug naar het kleedkamertje en een krantje lezen totdat de radioloog een gaatje voor me vrij kan maken, dat blijkt na een minuut of tien het geval en als een halve ijsklomp neem ik plaats op het bed dat de Franse dame me aanwijst.

De radioluege keumt zeu, verzekerd ze me in haar beste Nederlands.
Het schilderij naast me aan de muur, heb ik na twintig minuten zó intensief bekeken, dat ik het nu blindelings na zou kunnen schilderen, en vond ik de dame op het doek net nog ontzettend mooi met die donkere krullen, lange hals, de over haar schouder afgezakte japon en de waaier die half haar gezicht bedekt, nu begin ik me knap te irriteren aan die lange nek en daar kan die waaier écht niet meer tegen op.

Na een half uurtje komt de Franse freule even om de hoek kijken en vragen of de radioluege al klaar is, ‘sorry, maar ik heb nog niemand gezien... buiten die dame met die lange nek dan’, een excuus volgt en de deur slaat alweer dicht.

Om de tijd te verdrijven neem ik de rest van de kamer maar eens in me op... vierendertig plafondtegels, drie plafondlampen, 4 luchtroosters, 1 rookmelder, 1 wastafel, en tweeëntachtig badkamertegeltjes verder... nog steeds geen radioloog te bekennen, gelukkig heb ik het dankzij m’n stijgende bloeddruk niet meer zo koud onder m’n piepkleine handdoekje... en ik zie de immens rode kop al voor me die me straks in de spiegel zal aankijken. Na de tweeëntachtig badkamertegels vanaf het bed nogmaals grondig geïnspecteerd te hebben dwaalt m’n blik nu af naar een ander schilderij schuin achter me. Het is waarschijnlijk geschilderd door de zelfde persoon als de dame met de waaier, maar bij dit schilderij had de schilder zo te zien iets te diep in het glaasje gekeken óf een slechte bui. De dame ligt er nu een beetje verwrongen bij met haar hoofd met donkere krullen haaks op haar lichaam en de ogen strak gesloten, en ik kan me niet aan de gedachte ontrekken dat de twee schilderijen vóór en ná, moeten voorstellen.

Maar verder kom ik niet met mijn morbide gedachte want de deur zwaait open en daar staat de radioloog al naast me. Een jonge man met een geruststellende blik en nét zulke mooie donkere krullen als de dame op het schilderij... vast familie. Hij stelt zich voor, en begint met het onderzoek, terwijl het apparaat over m’n borst glijd kijk ik mee op het scherm en krijg een déjà vu van een echo tijdens m’n eerste zwangerschap en weet nog net de vraag te onderdrukken of het een jongen of een meisje is.
In plaats daarvan houd ik m’n adem in en wacht op wat er komen gaat.

Het ziet er niet uit als kwaadaardig hoor ik de donkere krullen naast me mompelen en er valt een gigantische last van me af.
Maar zo lang als de man op zich liet wachten, zo snel is hij al weer vertrokken, en ik kleed me nu enigszins beduusd en met uiteraard een hoogrode kop aan.
Nog één dag te gaan en dan terug voor de uiteindelijke uitslag...

© Ingrid Punt 2010

woensdag 23 november 2011

Routineklus...



'Dit vind ik nu écht leuk om te doen,' zegt de grote Arubaan met de stem van Willem Oltmans... Zijn zelfverzekerde uitstraling én witte kleding doen vermoeden dat het hier om de chirurg gaat. In tegenstelling tot de juffertjes in het groen die gejaagd op hun groene klompjes om hem heen drentelen blijft hij uiterst kalm.

Nadat hij één van de assistentes om een knabbeltang heeft gevraagd wrijft hij zich in de grote handen. Met die gladheid van de laatste tijd heeft hij nu wel genoeg kaakfracturen gezien en wordt het nu wel weer eens tijd voor iets leuks. Assistente Lisette overhandigt hem de knabbeltang die ik meen te herkennen als een attribuut uit de betere doe-het-zelfzaak. Dokter Oltmans kijkt verlekkerd naar het ding alsof hij hem voor het eerst mag bewonderen. Boren en andere martelwerktuigen worden intussen door de groene juffertjes in steriele zakken gehesen. Na nog meer steriele potjes en zakjes met verrassende inhoud, injectiespuiten en zusterscharen te hebben klaargelegd, kan hij eindelijk aan de klus beginnen.

'Ja écht leuk...' zegt hij vol enthousiasme terwijl hij de tang in de mond van mijn kind steekt en een knarsend en brekend geluid de ruimte vult. Het zweet breekt me uit, hij zal na al die fracturen toch nog wel weten hoe het moet. 'Er schijnt nu ook een soort van kaasschaaf te zijn waarmee het bot afgeraspt kan worden' volgens dokter Oltmans... 'O ja? ' vraagt Lisette -zijn operatieassistente- verbaast... dat lijkt haar een perfecte uitvinding, om nog even olijk toe te lichten hoe makkelijk een kaasschaaf wel niet is. 'Ahhhh...' klinkt het uit de gehavende mond van mijn kind... 'nog maar even bij verdoven zegt dokter,' en daar gaat weer een injectiespuit.

'Was de taart trouwens nog lekker ...' vraagt Lisette zachtjes door haar groene mondkapje aan dokter Oltmans als deze haar feliciteerd met haar verjaardag van de dag daarvoor ... 'heerlijk,' zegt deze lachend... 'hoewel ik persoonlijk iets meer aardbeien en slagroom had verwacht...... '

Het slangetje slurpt het vrijgekomen bloed en stukjes bot op...... het wordt me zwart voor de ogen......

Copyright © Ingrid Punt Januari 2011

vrijdag 18 november 2011

Vrije uitloop...


'We hebben een uitloop van zéker twintig minuten.' wat in goed nederlands zoiets wil zeggen als -je kunt wachten tot je een ons weegt- volgens de dame achter de balie terwijl ze me de wachtkamer c.q. kippenren in dirigeert, de wachtkamer blijkt stampvol te zitten. Het is spitsuur, zodat er alleen nog staanplaatsen zijn. Ik sta naast een stoel waar een flinke dame op zit, volgens de assistente die haar roept, heet ze mevrouw Goedhart, waarop mevrouw Goedhart zich met veel gehijg en gekreun vanuit haar stoel omhoog worstelt. Ze doet haar naam zeker geen eer aan, want elke reutelende ademstoot doet vermoeden dat het haar laatste zou kunnen zijn. Ze waggelt traag en moeizaam naar de kleedkamer, haar billen met elkaar vechtend om voorrang. Nadat ze de deur eindelijk heeft bereikt slaakt de assistente zichtbaar een zucht van opluchting.

Na mevrouw de Deugt waar ik verder geen uitlatingen over doe want dat zou erg flauw zijn, ben ik al aan de beurt, dat valt mee. Nadat ik de nodige kledingstukken aan de daarvoor bestemde haakjes heb gehangen neem ik plaats op de 'lopende band.' De assistente geeft mij een handdoek en vraagt of ik weet wat er gaat gebeuren, maar zonder mijn antwoord -wat eigenlijk vragen zijn- af te wachten, loopt ze al weer de kamer uit en roept dat de dokter zo komt. Ja, die heb ik vaker gehoord en ik trek de handdoek op tot vlak onder m'n kin. Gelukkig... de wachttijd blijkt nogmaals mee te vallen. De dokter is in de gedaante gekropen van een blond meisje met een ernstig gezicht en koude handen. Haar gezicht houdt ze aardig in de plooi, ze neemt haar beroep duidelijk zéér serieus.

Als haar zelfvertrouwen begint te tanen omdat ze 'het' niet kan vinden, stel ik haar gerust door te zeggen dat 'het' gezien de uitloop van 20 minuten waarschijnlijk al is vertrokken. De lach die ik verwachtte komt niet en met een streng gezicht dat niet bij haar past besluit ze om toch maar de opperdokter erbij te halen. Die heeft vandaag een snelle bui. Zonder me aan te kijken geeft hij mij een hand. Gelukkig... die is iets minder koud als die van het serieuze meisje. Zijne hoogheid heeft 'het' zo in het vizier, en na een korte roddel met het blonde meisje over dokter nummer drie die zijn bevindingen verkeerd geïnterpreteerd zou hebben verlaat god de ruimte zonder mij nog een blik waardig te gunnen. 'Hallo!' de patiënt ligt hier en wil ook graag weten wat er nu precies aan de hand is en wat er verder gaat gebeuren. Dat blijkt... niets... gelukkig... maar na wat onduidelijk gebrabbel van de blonde meisjesdokter, wordt me vooralsnog duidelijk dat ik geen duidelijkheid hoef te verwachten.

De lopende band draait tenslotte door en voor duidelijkheid is er met inmiddels meer dan twintig minuten uitloop géén tijd. Ik mag een belafspraak maken. Wat even later na enig onbegrip tussen mij en de dame achter de balie eindelijk lukt. Ze snapt er in de verwarring net zo veel van als ik... niets dus.
Opgelucht omdat mijn angst niet bewaarheid wordt maar vertwijfeld omdat ik niet weet wie ik nog moet geloven -dokter één, twee of drie- loop ik richting uitgang. En ondanks dat de lopende band op volle toeren door draait is de uitloop inmiddels opgelopen tot vijfendertig minuten.

Buitengekomen voel ik me net een ontsnapte kip... maar dan wel één met vrije uitloop.



Copyright © Ingrid Punt 2010

zaterdag 12 november 2011

Hartsvriendin...

In een ziekenhuiskamer staat een bed met daarin een jonge vrouw aan het zicht onttrokken door een wit gordijn. Naast haar een computerscherm met rode, groene en blauwe lijnen die haar lichaamsfuncties registreren. Zo op het eerste gezicht is er niets bijzonders aan haar te zien en het lijkt alsof ze slaapt. Alleen het verband om haar hoofd en het geluid van de beademingsapparatuur doet iets anders vermoeden. De artsen noemen haar onder elkaar mevrouw X en ze staat als orgaandonor geregistreerd. De familie wordt in de gelegenheid gesteld om afscheid te nemen wat niet meevalt omdat haar borstkast nog op en neer gaat en ze alle kenmerken van een dode mist. De beademing wordt voor tien minuten stopgezet maar alles wijst erop wat de doktoren al verwachten. De hersenen van Mevrouw X zijn zelf niet meer in staat om de longen te prikkelen tot ademhalen. Na een aantal testen wordt ze uiteindelijk hersendood én officieel dood verklaard. De dienstdoende arts condoleert de familie en verteld hen dat ze nu echt gestorven is en alleen het lichaam reageert op de kunstmatig toegevoerde zuurstof die weer is aangesloten. De onherroepelijkheid is een feit en de donatieprocedure wordt in werking gezet. ‘Maak haar blij,’ is het laatste wat haar moeder zachtjes fluistert terwijl ze de arts een brief toestopt.

‘Er is een hart beschikbaar?’… nog redelijk in shock kijkt ze de dienstdoende arts hoopvol aan… ‘écht?’ vraagt ze nogmaals hevig geëmotioneerd. Eindelijk, hoe lang heeft ze hier al niet op gewacht? Ze is inmiddels alweer een aantal jaren aan bed gekluisterd. Ooit was ze een gezond kind geweest, kon naar hartenlust spelen en ravotten met de kinderen uit de buurt.Samen met haar vriendinnetje Henny was ze altijd in voor avontuur. Haantje de voorste zo noemden men haar, dus de link Haan en Hen was gauw gemaakt. Kortom, ze had een onbezorgde en gelukkige jeugd. Hoe zwaar viel het niet toen ze merkten dat haar uithoudingsvermogen steeds minder werd. In de eerste instantie wist men het nog te wijten aan een onschuldig griepje dat ze een paar weken daarvoor had gehad. Maar na verschillende onderzoeken bleek dat het onschuldige griepje niet zo onschuldig was geweest. Haar hart bleek door een flinke infectie dusdanig beschadigd dat ze nooit meer de oude zou worden.

Henny daarentegen bloeide op tot een gezonde tiener en deed wat een meisje op die leeftijd zoal hoort te doen. Ze ging medicijnen studeren, ging uit, kreeg nieuwe vrienden en vriendinnen maar haar doodzieke hartsvriendin vergat ze nooit. Toen ze het lichamelijk nog aankon werd ze door Henny opgehaald en in haar rolstoel letterlijk overal mee naar toe gesleept. Maar de teloorgang was onomkeerbaar en toen ook dat niet meer ging kwam Henny dagelijks bij haar langs of belde tientallen keren per dag en hield haar op die manier op de hoogte van alles wat er in haar leven speelde en belangrijk was.

Ze maakte foto’s en filmpjes van alle evenementen en feestjes waar ze heenging om die later met haar te delen. Ze genoten er beiden van en het was dan nét alsof ze er zelf bij was geweest. Henny liet het nooit afweten en zelfs als zij er even doorheen zat en niemand wilde zien en medelijden met zichzelf had, was het Henny die haar altijd weer uit die donkere put wist te trekken. “Kom op Haantje, laat je niet zo kennen, je zult zien als de nood het hoogst is, is de redding nabij.”

Tot Henny afstudeerde en wilde gaan werken voor artsen zonder grenzen en werd uitgezonden naar alle uithoeken van de wereld. Natuurlijk was ze blij voor haar geweest, ze kende haar gedrevenheid en haar honger naar avontuur… ooit hadden ze die dromen gedeeld en nu zou Henny ze voor beiden waarmaken. Maar ook al stuurde Hen haar geregeld kaarten en brieven, en kwam ze soms voor een maand of wat terug naar Nederland, meestal miste ze haar vriendin ontzettend. Zelf was ze met haar dertigste een zwak hoopje mens en had meer doktoren en ziekenhuizen gezien dan haar lief was.

De laatste weken lag ze alleen nog maar in bed met zware medicijnen en zuurstof. Zelfs de gang naar het toilet was een beproeving waarna ze uren moest bijkomen. Ze ging zienderogen achteruit. Elk ongevaarlijk virusje kon voor haar fataal zijn en ze voelde zich meer en meer geïsoleerd. Haar enige hoop en redding was een transplantatie… zo snel mogelijk want de tijd drong. Het wachten was op een geschikt hart. En nu was het dan eindelijk zover… er was een hart beschikbaar. Haar familie was al ingelicht en onderweg naar het ziekenhuis… evenals haar nieuwe hart.

'De zusters komen je zo klaarmaken voor de operatie.' De arts kijkt haar geruststellend aan terwijl hij even over haar beursgeprikte arm wrijft.'Nou meisje… eindelijk is het dan zo ver, je weet wat je te wachten staat hé?'
Ja… ze weet wat haar te wachten staat, een zware operatie die ze misschien niet overleefd omdat haar weerstand behoorlijk zwak is. Het lange herstel en revalidatie die na het slagen van de operatie zullen volgen. Met een donorhart heeft ze meer kans op infecties, kanker en nierfalen. Ze zal de rest van haar leven iedere dag pillen moeten slikken, tot wel 25 per dag.Tientallen keren heeft ze dit al met de artsen doorgenomen en in haar dromen nog eens honderden keren extra. Het afscheid van haar ouders verloopt emotioneel, ze zijn net zo blij als angstig dat het nu eindelijk gaat gebeuren.

Als men haar later de OK inrijd waar al een heel team van doktoren klaarstaat doet het kalmeringsmiddel dat de zuster haar al had gegeven zijn werk en voelt ze zich loom worden. 'Ben je er klaar voor?' Ja, natuurlijk is ze er klaar voor… ze heeft geen andere keus hoe graag ze die ook zou willen. De laatste paar dagen voelt ze het laatste beetje kracht dat ze nog heeft steeds verder afnemen.'Als de nood het hoogst is… is de redding nabij.'… Henny … ze moeten Henny nog waarschuwen, die moet wel weten dat ze eindelijk aan de beurt is. Ze wil het de zuster vragen, maar haar stem lijkt het te begeven. Het operatieteam veranderd in een kluwen van schimmen en de stem van de anesthesist lijkt net als zijzelf te verdwijnen in een diepe put.

De vrouw lijkt haast doorschijnend in haar lange witte jurk. De rest van het operatieteam lijkt haar niet op te merken en gaat onverstoorbaar door. Ze komt dichterbij en opent haar handen waarna een hart zichtbaar wordt. ‘Het is een mooi en goed hart … wees er zuinig op,’ hoort ze de vrouw zeggen en de stem komt haar vaag bekend voor. 'Ze gaan het nu opwarmen… kijk… het klopt alweer.'

‘Het spijt me maar we mogen absoluut geen informatie verstrekken over de donor. Het enige wat ik je kan vertellen dat het een vrouw betrof van ongeveer jouw lengte en leeftijd en dat ze om het leven is gekomen door een ongeval.’
Ze zucht… natuurlijk wat had ze anders verwacht, in de paar weken dat ze hier nu ligt heeft ze zich dat verscheidene keren afgevraagd. Zij kan verder leven door de dood van iemand anders. Aan de ene kant een naar idee, maar een diep gevoel van bewondering en dankbaarheid overheerst. Ze voelt zich met de dag sterker worden, ze heeft al weer flink aan gewicht gewonnen en heeft weer kleur op haar wangen. Over een aantal dagen is ze genoeg aangesterkt om naar huis te mogen. Ze heeft zich in jaren niet zo goed gevoelt en het enige dat haar dwars zit is dat ze Henny nog niet heeft kunnen bereiken. Ze heeft haar moeder een aantal keren gebeld maar die wist haar steeds te verzekeren dat ze eerst maar even aan haar revalidatie moest gaan werken. En haar genezingsproces eiste inderdaad al haar energie op.

Haar verbazing is dan ook groot als ze wakker wordt van haar dagelijkse middagdutje en Henny’s moeder naast haar bed ziet zitten. De vragen die op haar lippen branden slikt ze weer in als ze de ernstige maar liefdevolle blik in de ogen van de vrouw ziet. ‘Henny?’ De vrouw zegt niets maar overhandigt haar een brief. Na enige aarzeling opent ze de enveloppe en herkend het handschrift van Henny uit duizenden.

Lieve Haan,

‘Haan en Hen’ weet je nog?
Op het moment dat je deze brief leest heb je eindelijk je nieuwe gezonde hart mogen ontvangen. Het hart dat jou het leven gaat geven waar je net als ik altijd recht op hebt gehad. Ik heb geprobeerd het leven te leven zoals jij dat ook gedaan zou hebben en ik heb ervan genoten. Maar nu geef ik het stokje aan jou door. En ook al ben ik ben ik er niet meer om je te troosten, laat het een troost zijn dat ik samen met jou verder leef.
Leef je leven en geniet voor ons beiden van elke dag.
‘Als de nood het hoogst is, is de redding nabij.’

Je hartsvriendin Henny……


© Copyright Ingrid Punt oktober 2011